Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - Z

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (789) B (1214) C (215) D (4279) E (1733) F (213) G (984) H (2527) I (1522) J (318) K (817) L (493) M (808) N (441) O (886) P (551) Q (2) R (432) S (1191) T (1170) U (214) V (1394) W (1277) X (3) Y (88) Z (1071)
Dutch Recording English Learn
Zij wachten.
They’re waiting.
Zij wandelden over de heide.
They walked over the heath.
zij waren
they were
Zij waren spierwit en hadden lange, buigzame halzen: het waren zwanen
They were bright white and had long, flexible necks: they were swans
zij was
she was
zij weet
she knows
Zij weet niet hoe ze een auto moet besturen.
She doesn’t know how to drive a car.
Zij wenkte de kinderen.
She beckoned the children.
Zij werden onbeleefd bejegend.
They were treated rudely.
zij werkt eraan
she’s working on it
Zij wijdde haar leven aan het onderwijs.
She dedicated her life to education.
zij wil
she wants
Zij wil schakelen.
She wants to switch.
Zij wonen in het Verenigd Koninkrijk.
They live in the United Kingdom.
Zij woont in het Verenigd Koninkrijk.
She lives in the United Kingdom.
zij zag ze nu als sterren aan den hemel
she now saw them like stars in the sky
Zij zal ze meteen invullen.
She will fill them out straight away.
zij ziet
she sees
zij zijn
they are
zij zijn allemaal mooi, behalve dat ene
they are all beautiful except that one
Zij zijn neven.
They are cousins.
Zij zijn prachtig.
They’re lovely.
Zij zijn verraders.
They’re traitors.
Zij zou veeleer boeken lezen dan televisie kijken.
She would rather read books than watch TV.
zijbalk
sidebar
zijde
side
zijden
sides
zijlings
sideways
zijn
to be
zijn
his
zijn
its
zijn
are (plural)
Zijn aanbod voldoet aan mijn gading.
His offer suits my taste.
Zijn aanstelling wordt morgen aangekondigd.
His appointment will be announced tomorrow.
Zijn advies is gegeerd.
His advice is sought after.
zijn afscheidsbrieven
his farewell letters