Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - J

0 (1) 1 (7) 2 (2) A (339) B (547) C (79) D (1351) E (460) F (93) G (400) H (798) I (287) J (91) K (357) L (201) M (306) N (176) O (368) P (258) Q (1) R (172) S (486) T (317) U (73) V (567) W (360) Y (1) Z (302)
Dutch Recording English Learn

J. van der Ven

J. van der Ven (name)

ja

yes

Ja meneer, welke bus bedoelt u?

Yes sir, which bus do you mean?

Ja, dat is een kalkoenenei!

Yes, that is a turkey egg!

Ja, het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land!

Yes, it was really wonderful out there on the land!

Ja, ik spreek Engels.

Yes, I speak English.

Ja, ik versta je.

Yes, I understand you.

jaar

year

jaar na jaar

year after year

jaarbasis

annual basis

jaarlijkse

yearly

jaarsalaris

annual salary

jacht

chase

jachthonden

hunting dogs

jachtopziener

gamekeeper

jagers

hunters

jaloers zijn op

be jealous of

jam

jam

Jan

John (boy’s name)

Jan werkt hier.

John works here.

Jan werkt in de meubelfabriek.

John works in the furniture factory.

Jan zat tobbend bij het haardvuur.

John sat brooding by the fire.

januari

January

Japanse

Japanese

jaren

years

jarenlang

for years

jarige

year-old

jas

coat

Java

Java

je

your (informal; short form)

je

you (singular)

Je bent laat.

You are late.

Je bent ook verplicht de schoolaanwezigheid van je kind vier keer per jaar in te dienen.

You are also required to submit your child’s school attendance four times a year.

Je bent verantwoordelijk voor de kwaliteit van het product, op functioneel en niet-functioneel vlak.

You are responsible for the quality of the product on a functional and non-functional level.

je fungeert

you act

Je hebt gelijk.

You are right.