Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - W

0 (1) 1 (7) 2 (2) A (344) B (558) C (79) D (1385) E (474) F (93) G (407) H (817) I (295) J (98) K (365) L (212) M (314) N (185) O (380) P (264) Q (1) R (175) S (505) T (326) U (77) V (591) W (377) Y (1) Z (319)
Dutch Recording English Learn

waaien

to blow

Waals

Walloon

waanideeën

delusions

waar

where

waar

true

Waar brengt u me heen?

Where are you taking me?

Waar gaat deze bus heen?

Where does this bus go?

Waar gaat deze trein heen?

Where does this train go?

Waar is de bus naar Londen?

Where is the bus to London?

Waar is de trein naar Londen?

Where is the train to London?

Waar is het toilet?

Where is the toilet?

Waar is het VVV-kantoor?

Where is the tourist office?

Waar is je kat?

Where’s your cat?

Waar kan ik Chinees eten kopen?

Where can I buy some Chinese food?

Waar kan ik een Engelse krant kopen?

Where can I buy an English newspaper?

Waar kom je vandaan?

Where are you from?

Waar komt u vandaan?

Where are you from? (formal)

Waar of niet waar?

True or false?

Waar rook is, is vuur.

Where there’s smoke, there’s fire.

Waar spreken we af?

Where are we meeting?

Waar werkt Jan?

Where does John work?

Waar werkt Jan? (dialoog)

Where does John work? (dialogue)

Waar werkt Jan? Jan werkt in de meubelfabriek.

Where does John work? John works in the furniture factory.

Waar woon je?

Where do you live? (informal)

Waar woont u?

Where do you live? (formal)

waar?

where?

waarbij

where; whereas

waarbij je borg staat voor een pro-actieve aanpak en heldere communicatie

where you guarantee a pro-active approach and clear communication

waarde

value

waardeloos

worthless

waardeloos geworden

has become worthless

waarderen

to appreciate; to value

waardige

worthy

waarheid

truth

waarin

in which

waarlijk

truly