Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
Understand spoken Dutch
Search
Search
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Dictionary
Dutch-English Dictionary - I
Primary tabs
English-Dutch
Dutch-English
Dialogues
0
(2)
1
(18)
2
(9)
A
(789)
B
(1214)
C
(215)
D
(4279)
E
(1733)
F
(213)
G
(984)
H
(2527)
I
(1522)
J
(318)
K
(817)
L
(493)
M
(808)
N
(441)
O
(886)
P
(551)
Q
(2)
R
(432)
S
(1191)
T
(1170)
U
(214)
V
(1394)
W
(1277)
X
(3)
Y
(88)
Z
(1071)
Dutch
Recording
English
Learn
Ik moet dat rapport vandaag zien.
I need to see that report today.
Learn
Ik moet de aandacht vestigen op de volgende punten.
I must draw attention to the following points.
Learn
Ik moet de gelegenheid aangrijpen.
I have to take the chance.
Learn
Ik moet douchen.
I need to take a shower.
Learn
Ik moet dringend plassen.
I need to pee urgently.
Learn
Ik moet een paar wonden laten behandelen, met enkele hechtingen.
I needed to get a few wounds treated, with a few stitches.
Learn
Ik moet er een melding van maken.
I’ve got to report it.
Learn
Ik moet er om 2:30 zijn.
I have to be there at 2:30.
Learn
Ik moet eveneens studeren voor het examen.
I also need to study for the exam.
Learn
Ik moet gaan.
I have to go.
Learn
Ik moet gewoon de trein nemen.
I have to just take the train.
Learn
Ik moet het geluid dempen.
I need to mute the sound.
Learn
Ik moet hoesten.
I have a cough.
Learn
Ik moet iedere mogelijkheid overwegen.
I have to consider every possibility.
Learn
Ik moet in mijn levensonderhoud voorzien.
I have to earn a living.
Learn
Ik moet je iets vertellen.
I have something that I need to tell you.
Learn
Ik moet me scheren.
I need to shave.
Learn
Ik moet me verbergen.
I must hide.
Learn
ik moet met haar praten
I must speak with her
Learn
ik moet met hem of haar praten
I must talk to him or her
Learn
ik moet met hem praten
I must speak with him
Learn
Ik moet mijn boerderij verkopen.
I need to sell my farm.
Learn
Ik moet mijn huiswerk maken.
I have to do my homework.
Learn
Ik moet mijn mobieltje opladen.
I need to charge my cell phone.
Learn
Ik moet naar het toilet.
I have to go to the toilet.
Learn
Ik moet naar Spijkenisse.
I need to go to Spijkenisse
Learn
Ik moet onmiddellijk de badkamer kuisen.
I must clean the bathroom right away.
Learn
Ik moet rijden.
I have to drive.
Learn
Ik moet slapen.
I need to sleep.
Learn
Ik moet stofzuigen.
I need to hoover.
Learn
Ik moet telefoneren.
I need to make a phone call.
Learn
Ik moet teruggaan en mijn familie bezoeken.
I have to go back and visit my family.
Learn
Ik moet twee plaatsen reserveren voor Lille.
I must reserve two seats for Lille.
Learn
Ik moet u helaas afwijzen.
I’m afraid I have to turn you down.
Learn
Ik moet u vragen om in deze beker te plassen.
I need you to urinate in this cup.
Learn
Ik nader mijn bestemming.
I approach my destination.
Learn
Pagination
First page
« First
Previous page
‹ Previous
…
Page
17
Page
18
Page
19
Page
20
Current page
21
Page
22
Page
23
Page
24
Page
25
…
Next page
Next ›
Last page
Last »