Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - I

0 (2) 1 (81) 2 (24) 3 (24) 4 (26) 5 (22) 6 (22) 7 (22) 8 (21) 9 (20) A (611) B (352) C (512) D (335) E (205) F (296) G (187) H (333) I (414) J (52) K (33) L (208) M (262) N (138) O (151) P (373) Q (22) R (229) S (717) T (2446) U (62) V (67) W (365) Y (82) Z (6)
English Dutch Recording Learn
I

ik

I am

ik ben

I am a British citizen.

Ik ben een Brits staatsburger.

I am a Canadian citizen.

Ik ben een Canadees staatsburger.

I am a doctor.

Ik ben dokter.

I am an American citizen.

Ik ben een Amerikaans staatsburger.

I am an Australian citizen.

Ik ben een Australisch staatsburger.

I am back home.

Ik ben terug thuis.

I am hungry.

Ik heb honger.

I am looking for

ik zoek

I am looking for a new job.

Ik ben op zoek naar een nieuwe job.

I am seriously disappointed.

Ik ben serieus ontgoocheld.

I am sharing with you

ik deel met je

I am thirsty.

Ik heb dorst.

I am very disappointed in you.

Ik ben erg teleurgesteld in u.

I asked her

ik vroeg haar

I bet

ik wed

I bet he’s bragging right now

ik wed dat hij op dit moment zit op te scheppen

I bring

ik breng

I brush

ik poets

I can solve that problem in an instant.

Ik kan dat probleem in een handomdraai verhelpen.

I can’t get my headphones off my head.

Ik krijg mijn koptelefoon niet van mijn hoofd.

I can’t hear you.

Ik kan je niet horen.

I can’t speak Dutch.

Ik spreek geen Nederlands.

I challenge all those responsible,...

Ik daag alle verantwoordelijken uit, ...

I clean the board, I am, I become

ik spoel het bord, ik ben, ik word

I clean the kitchen almost every day.

Ik poets de keuken bijna elke dag.

I clean the kitchen.

Ik poets de keuken.

I couldn't get them in; no matter how much it quacked, it didn't help me!

Ik kon ze er maar niet in krijgen; hoe ik ook kwakte, het hielp mij niemendal!

I did not have time.

Ik heb geen tijd gehad.

I didn’t mean to offend you.

Ik wou je niet beledigen.

I don't take drugs.

Ik gebruik geen drugs.

I don’t get it.

Ik snap het niet.

I don’t know.

Ik weet het niet.

I don’t like fish.

Ik hou niet van vis.

I don’t think it was a coincidence

ik denk niet dat het toeval was