Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - I

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (798) B (1226) C (217) D (4352) E (1788) F (214) G (993) H (2577) I (1561) J (324) K (832) L (502) M (829) N (443) O (894) P (567) Q (2) R (442) S (1202) T (1173) U (216) V (1407) W (1305) X (3) Y (88) Z (1098)
Dutch Recording English Learn
Ik hoop dat Tom niet denkt dat we hem haten.
I hope Tom doesn’t think that we hate him.
Ik hoop dat u een spoedig herstel heeft.
I hope you have a speedy recovery.
Ik hoop ze meteen in te vullen.
I hope to fill them in straight away.
Ik hoor dat Tom insecten eet.
I hear that Tom eats insects.
Ik hoorde hem vaak Engels spreken.
I heard him speak English often.
Ik hoorde mijn ouders gisteravond fluisteren.
I heard my parents whispering last night.
Ik hou meer van je dan van wie ook.
I love you more than anyone else.
Ik hou niet van frisdrank.
I don't like soda.
Ik hou niet van koken.
I don’t like cooking.
Ik hou niet van muziek.
I don’t like music.
Ik hou niet van thee, dus ik drink over het algemeen koffie als ontbijt.
I do not like tea, so I generally drink coffee for breakfast.
Ik hou niet van vis.
I don’t like fish.
Ik hou ook van fietsen
I also like cycling
Ik hou van appels en bananen.
I like apples and bananas.
Ik hou van de geur van sandelhout-wierook.
I love the smell of sandalwood incense.
Ik hou van je auto.
I like your car.
Ik hou van je stropdas.
I like your tie.
ik hou van mijn hond
I love my dog
ik hou van mijn kat
I love my cat
Ik hou van mijn tante.
I love my aunt.
Ik hou van mijn voorhuid.
I like my foreskin.
Ik hou van mijn vriend.
I love my boyfriend.
Ik hou van rijst.
I like rice.
Ik hou van sporten
I like to do sport
Ik hou van tomaten kweken.
I love growing tomatoes.
Ik houd van je.
I love you.
Ik huil niet snel.
I don’t cry easily.
Ik kan alleen maar afgaan op hetgeen dat mij werd verteld.
I can only go by that which was relayed to me.
Ik kan bloemen ruiken.
I can smell flowers.
Ik kan dat probleem in een handomdraai verhelpen.
I can solve that problem in an instant.
Ik kan dit alleen.
I can do this alone.
Ik kan dit restaurant aanbevelen.
I can recommend this restaurant.
Ik kan een goed hotel aanbevelen.
I can recommend a good hotel.
Ik kan een goede advocaat aanbevelen.
I can recommend a good lawyer.
Ik kan een kikker niet van een pad onderscheiden.
I cannot distinguish a frog from a toad.
Ik kan geen wijn meer drinken.
I can’t drink wine anymore.