Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - I

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (789) B (1214) C (215) D (4279) E (1733) F (213) G (984) H (2527) I (1522) J (318) K (817) L (493) M (808) N (441) O (886) P (551) Q (2) R (432) S (1191) T (1170) U (214) V (1394) W (1277) X (3) Y (88) Z (1071)
Dutch Recording English Learn
Ik heb een geheim.
I have a secret.
ik heb een groot gezin
I have a big family
Ik heb een gulden.
I have a guilder.
Ik heb een hond en een kat.
I have a dog and a cat.
Ik heb een hond.
I have a dog.
Ik heb een hot dog voor Tom gekocht.
I bought Tom a hot dog.
ik heb een huis
I have a house
Ik heb een kat.
I have a cat.
Ik heb een kikker in mijn keel.
I’ve got a frog in my throat.
Ik heb een klein stuk karton nodig.
I need a little piece of cardboard.
Ik heb een koude douche nodig.
I need a cold shower.
Ik heb een loonsverhoging nodig.
I need a raise.
Ik heb een munt gevonden.
I found a coin.
Ik heb een natuurlijke aanleg voor wiskunde.
I have a natural ability in mathematics.
Ik heb een nieuwe auto nodig.
I need a new car.
Ik heb een nieuwe mobiele telefoon gekocht.
I bought a new mobile phone.
Ik heb een onderkin.
I have a double chin.
Ik heb een paar puisten op mijn gezicht.
I have a few pimples on my face.
Ik heb een paraplu nodig.
I need an umbrella.
Ik heb een pijnstiller nodig.
I need a pain reliever.
Ik heb een postkaart nodig.
I need a postcard.
Ik heb een scheermes nodig.
I need a razor.
Ik heb een schild nodig.
I need a shield.
Ik heb een stel borden gekocht.
I bought a set of plates.
Ik heb een stiefzuster.
I have a stepsister.
Ik heb een tandenborstel nodig.
I need a toothbrush.
Ik heb een U-bocht gemaakt.
I made a U-turn.
Ik heb een urgente zaak met je te bespreken.
I have an urgent matter to discuss with you.
Ik heb één van mijn schoenen onder mijn bed gevonden, maar de andere kan ik niet vinden.
I found one of my shoes under my bed, but I can’t find the other one.
Ik heb een vraag.
I have a question.
Ik heb een vrije dag.
I have a day off.
Ik heb eigenlijk geen pistool.
I don’t really have a gun.
Ik heb er één.
I have one.
Ik heb Frans geleerd.
I learned French.
Ik heb geen auto.
I don’t have a car.
Ik heb geen belangstelling voor de wetenschap.
I’m not interested in science.