Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - W

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (796) B (1223) C (216) D (4316) E (1760) F (214) G (990) H (2556) I (1541) J (322) K (827) L (498) M (821) N (442) O (891) P (564) Q (2) R (441) S (1198) T (1171) U (216) V (1405) W (1287) X (3) Y (88) Z (1082)
Dutch Recording English Learn
We hebben geen behoefte aan nog meer problemen.
We don’t need any more problems.
We hebben geen tijd om te discussiëren.
We don’t have time to argue.
We hebben goede medewerkers nodig.
We need good employees.
We hebben het vaak over het weer.
We often talk about the weather.
We hebben meer overeenkomsten dan verschillen.
There are more similarities than differences between us.
We hebben morgen een wiskunde toets.
We will have a math quiz tomorrow.
We hebben nadien veel gelachen.
We laughed a lot afterwards.
We hebben niemand om ons te helpen.
We have no one to help us.
We hebben niet goed gespeeld.
We didn’t play well.
We hebben niets gevonden om te eten.
We didn’t find anything to eat.
We hebben niets verkeerd gedaan.
We didn’t do anything wrong.
we hebben nood aan samenhorigheid
we need togetherness
We hebben op school drie toneelstukken opgevoerd.
We performed three plays at school.
We hebben overal gezocht.
We searched everywhere.
We hebben veel klanten verloren.
We’ve lost a lot of customers.
we hebben veel vrienden
we have a lot of friends
We hebben vele kilometers gelopen.
We have walked many miles.
We hebben verf nodig.
We need paint.
We hebben vijf katten.
We’ve got five cats.
We hebben zelfs kleurentelevisie.
We even have colour television.
We hielden ons vast aan de tak.
We held on tightly to the branch.
We hoopten dat alles als een leien dakje zou gaan.
We hoped everything would go smoothly.
We hopen dat veel van jullie zullen komen.
We hope many of you will come.
We houden van elkaar.
We love each other.
We importeren meel uit Amerika.
We import flour from America.
We konden niet meer opgetogen zijn.
We couldn’t be more excited.
We kunnen allen bij zijn ervaringen baat hebben.
We can all benefit from his experience.
We kunnen later gaan winkelen.
We can go shopping later.
We kunnen niet weer falen.
We can’t fail again.
We kunnen Tom niet vinden.
We can’t find Tom.
We kunnen veel sterren zien deze nacht.
We can see many stars tonight.
We kunnen veranderen.
We can change.
We maken soms fouten.
We sometimes make mistakes.
We moeten dat wrak wegslepen.
We need to tow that wreck away.
We moeten de heg snoeien vóór het feest.
We have to prune the hedge before the party.
We moeten de schwung behouden tijdens de race.
We need to maintain the momentum during the race.