Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - E

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (797) B (1226) C (216) D (4348) E (1778) F (214) G (992) H (2571) I (1558) J (322) K (831) L (502) M (824) N (443) O (893) P (566) Q (2) R (442) S (1202) T (1172) U (216) V (1407) W (1302) X (3) Y (88) Z (1095)
Dutch Recording English Learn
een masker
a mask
een mededeling
a notice
een meelevend geluidje
a sympathetic sound
een meer
a lake
een meetlat
a measuring stick
een meisje
a girl
Een meisje durft niet naar huis uit angst voor straf en kou.
A girl doesn't dare to go home for fear of punishment and cold.
Een meisje raakte daarbij gewond in haar aangezicht ter hoogte van de hals en het oor.
A girl was injured in her face at the level of the neck and ear.
een melaatse man
a man with leprosy
een mengeling van afgunst en venijn
a mixture of envy and viciousness
een mening
an opinion
een mening hebben
to have an opinion
Een meniscus is geen been.
The meniscus is not a bone.
Een meniscus is geen been. Het is kraakbeen, een elastisch, buigzaam weefsel.
The meniscus is not a bone. It is a cartilage, a flexible, elastic tissue.
een mens van vlees en bloed
a person of flesh and blood
een menu aub
a menu please
een mes
a knife
een met keien geplaveide straat
a cobbled street
een metaaldetector
a metal detector
een metalen buis
a metal tube
een metalen lade
a metal drawer
een miezerige dwerg
a measly dwarf
een mijn
a mine
een misvatting
a misconception
een moeder
a mother
een moeder en haar zoon
a mother and her son
een moeilijke strikvraag
a difficult trick question
een mollige vrouw
a chubby woman
een mooi boek
a beautiful book
een mooi huis
a nice house
een mooie hond
a beautiful dog
een mooie trui
a nice sweater
een mosterd
a mustard
een mountainbike
a mountain bike
een moutige smaak
a malty taste
een mouw
a sleeve