Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - I

0 (2) 1 (14) 2 (9) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2046) B (734) C (1234) D (851) E (539) F (739) G (438) H (1121) I (1978) J (126) K (81) L (516) M (734) N (378) O (443) P (889) Q (35) R (528) S (1852) T (7132) U (159) V (129) W (1203) X (4) Y (377) Z (21)
English Dutch Recording Learn
I hope I didn’t wake you up. Ik hoop dat ik je niet wakker heb gemaakt.
I hope it is not a drake! Als het maar geen woerd is!
I hope it’s good. Ik hoop dat het goed is.
I hope that I can see you at Christmas. Ik hoop dat ik je zie met Kerstmis.
I hope that this will help us. Ik hoop dat dit ons zal helpen.
I hope the hotel is better now ik hoop dat het hotel nu beter is
I hope this solution is to your liking as well. Ik hoop dat deze oplossing ook naar uw zin is.
I hope to fill them in straight away. Ik hoop ze meteen in te vullen.
I hope Tom doesn’t think that we hate him. Ik hoop dat Tom niet denkt dat we hem haten.
I hope you have a speedy recovery. Ik hoop dat u een spoedig herstel heeft.
I hope you have some news. Ik hoop dat je nieuws hebt.
I hope you’re feeling fine. Ik hoop dat het goed met je gaat.
I hugged her. Ik omhelsde haar.
I just got some bad news. Ik heb net slecht nieuws gekregen.
I just hope to go into town. Ik hoop alleen maar dat ik naar de stad kan gaan.
I just lost my temper. Ik verloor gewoon m’n zelfbeheersing.
I just wanted to apologize. Ik wou gewoon mijn excuses aanbieden.
I just went to the sea. Ik ben louter naar de zee geweest.
I kept the wrapper from my favorite chocolate bar. Ik bewaarde de wikkel van mijn favoriete chocoladereep.
I knew ik wist
I knew it beforehand. Ik wist het van tevoren.
I knew you were trouble the minute I saw you. Zodra ik je zag, wist ik dat je ellende zou brengen.
I knew you’d come. Ik wist wel dat je zou komen.
I knew you’d mess things up. Ik wist dat je het ging verprutsen.
I know (information) Ik weet
I know everything. Ik weet alles.
I know him better than anyone else does. Ik ken hem beter dan wie dan ook.
I know it’s one o’clock. Ik weet dat het één uur is.
I know it’s their good right ik weet wel het is hun goeie recht
I know my daughter better than anybody else. Ik ken mijn dochter beter dan wie dan ook.
I know she’s feeling fine. Ik weet dat het goed met haar gaat.
I know she’s here. Ik weet dat ze hier is.
I know that I have to improve my Dutch. Ik weet dat ik mijn Nederlands moet verbeteren.
I know that they serve God with great devotion. Ik weet dat zij met veel toewijding God dienen.
I know three of the people in this picture. Ik ken drie van de mensen in de foto.
I know Tom is a butcher. Ik weet dat Tom een ​​slager is.