Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - I

0 (2) 1 (14) 2 (9) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2046) B (734) C (1234) D (851) E (539) F (739) G (438) H (1121) I (1978) J (126) K (81) L (516) M (734) N (378) O (443) P (889) Q (35) R (528) S (1852) T (7132) U (159) V (129) W (1203) X (4) Y (377) Z (21)
English Dutch Recording Learn
I have read something interesting. Ik heb iets interssants gelezen.
I have red hair. Ik heb rood haar.
I have something that I need to tell you. Ik moet je iets vertellen.
I have tennis practice later. Ik heb straks tennisles.
I have thirteen employees. Ik heb dertien medewerkers.
I have time. Ik heb tijd.
I have to ik moet
I have to be there at 2:30. Ik moet er om 2:30 zijn.
I have to consider every possibility. Ik moet iedere mogelijkheid overwegen.
I have to do my homework. Ik moet mijn huiswerk maken.
I have to drive. Ik moet rijden.
I have to earn a living. Ik moet in mijn levensonderhoud voorzien.
I have to go back and visit my family. Ik moet teruggaan en mijn familie bezoeken.
I have to go to the toilet. Ik moet naar het toilet.
I have to go. Ik moet gaan.
I have to just take the train. Ik moet gewoon de trein nemen.
I have to keep up. Ik moet bijblijven.
I have to take the chance. Ik moet de gelegenheid aangrijpen.
I have two hundred baht left. Ik heb nog tweehonderd baht over.
I have worked with the cash register. Ik heb met de kassa gewerkt.
I haven’t decided which job to apply for. Ik heb nog niet besloten op welke functie ik zal solliciteren.
I haven’t done anything wrong. Ik heb niks verkeerd gedaan.
I haven’t said yes yet. Ik heb nog geen ja gezegd.
I haven’t seen Rick since he got back from New Zealand. Ik heb Rik niet gezien sedert hij terug is uit Nieuw-Zeeland.
I haven’t slept almost all night! Ik heb bijna de hele nacht geen oog dichtgedaan!
I have’t done anything wrong. Ik heb niets verkeerd gedaan.
I hear that Tom eats insects. Ik hoor dat Tom insecten eet.
I heard him speak English often. Ik hoorde hem vaak Engels spreken.
I heard my parents whispering last night. Ik hoorde mijn ouders gisteravond fluisteren.
I heard that Tom is living in Boston. Ik heb gehoord dat Tom in Boston woont.
I heard you guys whispering. Ik heb jullie horen fluisteren.
I helped her make dinner. Ik heb haar geholpen te eten.
I hid that for years. Ik heb dat jaren verzwegen.
I hold grudges. Ik koester wrok.
I hope ik hoop
I hope he comes. Ik hoop dat hij komt.