Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (1) 1 (26) 2 (10) 3 (12) 4 (17) 5 (7) 6 (4) 7 (8) 8 (5) A (1090) B (528) C (845) D (585) E (359) F (486) G (287) H (639) I (1137) J (87) K (54) L (349) M (479) N (273) O (280) P (620) Q (28) R (364) S (1232) T (5217) U (107) V (104) W (714) Y (268) Z (9)
English Dutch Recording Learn
a bad decision

een nefaste beslissing

a bad idea

een slecht idee

a balance

een evenwicht

a bank

een bank

a beach of stones and pebbles

een strand van stenen en kiezels

A beard does not make a philosopher.

Een baard maakt je nog geen filosoof.

a beautiful book

een mooi boek

a beech

een beuk

a beetle

een tor

a big banner

een groot spandoek

a big mistake

een grote vergissing

a big, fat earwig

een grote, dikke oorwurm

a big, ugly doll

een grote, oerlelijke pop

A bird is incessantly singing on my balcony.

Een vogel zingt onophoudelijk op mijn balkon.

a bit

een beetje

a bit too obvious

een beetje erg doorzichtig

a black coat

een zwarte vacht

a black robe

een zwart gewaad

a blazing fire

een laaiend vuur

a blessing

een zegen

a boiled egg

een gekookt ei

A bomb shelter is a basement to protect the population from air raid and other types of danger.

Een schuilkelder is een kelder om de bevolking te beschermen tegen een luchtaanval en andere soorten van gevaar.

a boulder

een kei

a bow

een buiging

a branch that was as thick as a python

een tak die zo dik was als een python

a brew

een brouwsel

a bright winter sun was shining

er scheen een helder, winters zonnetje

a brightly lit, high vaulted room

een felverlichte, hoge, gewelfde ruimte

a brilliant theory

een briljante theorie

a broken mast

een gebroken mast

a broom cupboard

een bezemkast

a bullet to the heart

een kogel in de hartstreek

a bump

een buil

a bumpy career

een hobbelige carrière

a bunch of grapes

een tros druiven

a bus

een bus