Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - C

( (2) - (1) . (1) 0 (1) 1 (79) 2 (22) 3 (24) 4 (26) 5 (22) 6 (22) 7 (22) 8 (21) 9 (20) A (409) B (217) C (364) D (221) E (140) F (199) G (113) H (198) I (234) J (42) K (25) L (120) M (188) N (77) O (101) P (237) Q (10) R (152) S (439) T (1624) U (44) V (46) W (235) Y (57) Z (4) (1) (1) (2)
English Dutch Recording Learn
C (letter)

C

cabbage

kool

café

cafe

cakes; biscuits

koeken

call

heet

called

genoemd

calling

roeping

calloused

eeltige

calls (noun)

oproepen

calls; names

noemt

calm down

bedaar

came

kwamen

came (past tense; singular)

kwam

came together

bijeenkwamen

camera

camera

campaign

campagne

can

kunnen

can (2nd person singular; question form)

kun

can (singular)

kan

Can I book a seat?

Kan ik een stoel boeken?

Can I book a table?

Kan ik een tafel boeken?

Can I have a receipt?

Mag ik een betaalbewijs?

Can I pay by credit card?

Kan ik met een kredietkaart betalen?

Can we have the bill please?

Mogen we de rekening alstublieft?

Can we see the menu?

Mogen we het menu zien?

Can we see the wine list?

Mogen we de wijnkaart zien?

Can we sit by the window?

Kunnen we aan het raam zitten?

Can we sit here?

Mogen we hier zitten?

Can we sit in a non-smoking area?

Kunnen we in een rookvrije ruimte zitten?

Can we sit in the shade?

Kunnen we in de schaduw zitten?

Can we sit in the sun?

Kunnen we in de zon zitten?

Can we sit outside?

Kunnen we buiten zitten?

Can we sit there?

Kunnen we daar zitten?

Can you recommend a bar?

Kun je een bar aanbevelen?

Can you recommend a café?

Kun je een cafe aanbevelen?

Can you recommend a cheap restaurant?

Kun je een goedkoop restaurant aanbevelen?