Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - I

0 (2) 1 (14) 2 (9) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2046) B (734) C (1234) D (851) E (539) F (739) G (438) H (1121) I (1978) J (126) K (81) L (516) M (734) N (378) O (443) P (889) Q (35) R (528) S (1852) T (7132) U (159) V (129) W (1203) X (4) Y (377) Z (21)
English Dutch Recording Learn
I had good teachers. Ik heb goede leerkrachten gehad.
I had jeans on. Ik droeg een spijkerbroek.
I had no idea that Mary was your daughter. Ik wist niet dat Mary jouw dochter was.
I had no idea that Mary was your granddaughter. Ik wist niet dat Mary jouw kleindochter was.
I had no idea that Mary was your wife. Ik wist niet dat Mary jouw vrouw was.
I had no idea that Tom was your son. Ik wist niet dat Tom jouw zoon was.
I had no idea that you could cook so well. Ik wist niet dat je zo goed kon koken.
I had to ik moest
I happen to be a good driver. Toevallig ben ik een goede chauffeur.
I happen to be a pretty good chess player. Ik ben toevallig een vrij goede schaker.
I happened to meet her in the street. Ik ben haar toevallig tegengekomen op straat.
I hate chemistry. Ik haat scheikunde.
I hate football. Ik haat voetbal.
I hate it. Ik haat dit.
I hate maths. Ik haat wiskunde.
I hate the hypocrisy in this organization. Ik haat de hypocrisie in deze organisatie.
I hate them. Ik haat ze.
I have ik heb
I have a big family ik heb een groot gezin
I have a book. Ik heb een boek.
I have a brother who is called Peter. Ik heb een broer die Peter heet.
I have a brother. Ik heb een broer.
I have a car, but I almost never use it. Ik heb een auto maar ik gebruik hem bijna nooit.
I have a car. Ik heb een auto.
I have a cat. Ik heb een kat.
I have a cough. Ik moet hoesten.
I have a dog and a cat. Ik heb een hond en een kat.
I have a dog. Ik heb een hond.
I have a double chin. Ik heb een onderkin.
I have a fever. Ik heb koorts.
I have a few pimples on my face. Ik heb een paar puisten op mijn gezicht.
I have a guilder. Ik heb een gulden.
I have a headache. Ik heb hoofdpijn.
I have a hole in my jeans. Ik heb een gat in mijn spijkerbroek.
I have a house ik heb een huis
I have a lot of assignments today. Ik heb veel opdrachten vandaag.