Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - H

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (789) B (1214) C (215) D (4279) E (1733) F (213) G (984) H (2527) I (1522) J (318) K (817) L (493) M (808) N (441) O (886) P (551) Q (2) R (432) S (1191) T (1170) U (214) V (1394) W (1277) X (3) Y (88) Z (1071)
Dutch Recording English Learn
Hij werd betrapt op liegen.
He was caught lying.
Hij werd gearresteerd voor heling.
He was arrested for fencing stolen goods.
Hij werd geboren in een ander land.
He was born in another country.
Hij werd geboren omstreeks 1980.
He was born around 1980.
Hij werd geboren op 28 mei.
He was born on May 28.
Hij werd gepest door zijn vrienden op school.
He was bullied by his friends at school.
Hij werd geschorst voor onzedelijk gedrag.
He got expelled for lewd conduct.
Hij werd nijdig om niets.
He got angry over nothing.
Hij werd op heterdaad betrapt met de gestolen goederen.
He was caught red-handed with the stolen goods.
Hij werd rood van woede.
He was red with anger.
Hij werd vriendelijk bejegend.
He was treated kindly.
Hij wil een auto kopen.
He wants to buy a car.
Hij wil graag aanschuiven.
He wants to join.
Hij wil leren koken.
He wants to learn to cook.
Hij wil niemand beledigen.
He doesn't want to offend anyone.
Hij wil veeleer slapen dan studeren.
He rather wants to sleep than study.
Hij wilde haar niet beledigen.
He didn’t want to insult her.
Hij wist dat Perkamentus die smoes onmiddellijk zou doorzien.
He knew that Dumbledore would immediately see through that excuse.
Hij woont in het Verenigd Koninkrijk.
He lives in the United Kingdom.
hij wordt
he becomes
Hij wordt ervan beschuldigd het pand illegaal te verhuren.
He is accused of illegally renting out the property.
hij wordt genoemd
he is called
Hij wordt gepest op school.
He is being bullied at school.
hij wreef over zijn kin
he rubbed his chin
Hij zaagde houtblokken voor de open haard.
He sawed logs for the fireplace.
Hij zal bij ons komen wonen.
He will come to live with us.
Hij zal de troon opvolgen.
He will succeed to the throne.
Hij zal het werk niet aankunnen.
He will not be able to do the work.
Hij zal naar school lopen.
He will walk to school.
Hij zal nadien komen.
He will come afterwards.
Hij zal ons behandelen op het avondeten.
He will treat us to dinner.
Hij zal spoedig komen opdagen.
He’ll show up soon.
Hij zal trachten te komen.
He will try to come.
Hij zal twee zetels voor Lille reserveren.
He will reserve two seats for Lille.
Hij zal vanavond optreden.
He will perform tonight.
hij zegt
he says