Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Search
Search
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Dictionary
Dutch-English Dictionary - H
Primary tabs
English-Dutch
Dutch-English
Dialogues
0
(2)
1
(18)
2
(9)
A
(801)
B
(1227)
C
(218)
D
(4358)
E
(1794)
F
(214)
G
(996)
H
(2580)
I
(1565)
J
(325)
K
(833)
L
(505)
M
(830)
N
(443)
O
(899)
P
(568)
Q
(2)
R
(442)
S
(1206)
T
(1175)
U
(216)
V
(1409)
W
(1308)
X
(3)
Y
(88)
Z
(1103)
Dutch
Recording
English
Learn
Hij was vlak achter mij.
He was just behind me.
Learn
Hij was zich niet bewust van het gevaar.
He was not aware of the danger.
Learn
Hij was zwaar gewond.
He was badly wounded.
Learn
hij weet
he knows
Learn
Hij weet alles.
He knows everything.
Learn
Hij werd aanzienlijk rijk voordat hij stierf.
He became very rich before he died.
Learn
Hij werd betrapt op liegen.
He was caught lying.
Learn
Hij werd gearresteerd voor heling.
He was arrested for fencing stolen goods.
Learn
Hij werd geboren in een afgelegen stam.
He was born into a remote tribe.
Learn
Hij werd geboren in een ander land.
He was born in another country.
Learn
Hij werd geboren omstreeks 1980.
He was born around 1980.
Learn
Hij werd geboren op 28 mei.
He was born on May 28.
Learn
Hij werd gepest door zijn vrienden op school.
He was bullied by his friends at school.
Learn
Hij werd geschorst voor onzedelijk gedrag.
He got expelled for lewd conduct.
Learn
Hij werd na een week besneden.
He was circumcised after a week.
Learn
Hij werd nijdig om niets.
He got angry over nothing.
Learn
Hij werd op heterdaad betrapt met de gestolen goederen.
He was caught red-handed with the stolen goods.
Learn
Hij werd rood van woede.
He was red with anger.
Learn
Hij werd vriendelijk bejegend.
He was treated kindly.
Learn
Hij wierp een speer.
He threw a spear.
Learn
Hij wil acteur worden.
He wants to become an actor.
Learn
Hij wil een auto kopen.
He wants to buy a car.
Learn
Hij wil graag aanschuiven.
He wants to join.
Learn
Hij wil kunstenaar worden.
He wants to become an artist.
Learn
Hij wil leren koken.
He wants to learn to cook.
Learn
Hij wil niemand beledigen.
He doesn't want to offend anyone.
Learn
Hij wil veeleer slapen dan studeren.
He rather wants to sleep than study.
Learn
Hij wilde haar niet beledigen.
He didn’t want to insult her.
Learn
Hij wist dat Perkamentus die smoes onmiddellijk zou doorzien.
He knew that Dumbledore would immediately see through that excuse.
Learn
Hij woont in het Verenigd Koninkrijk.
He lives in the United Kingdom.
Learn
hij wordt
he becomes
Learn
Hij wordt ervan beschuldigd het pand illegaal te verhuren.
He is accused of illegally renting out the property.
Learn
hij wordt genoemd
he is called
Learn
Hij wordt gepest op school.
He is being bullied at school.
Learn
hij wreef over zijn kin
he rubbed his chin
Learn
Hij zaagde houtblokken voor de open haard.
He sawed logs for the fireplace.
Learn
Pagination
First page
« First
Previous page
‹ Previous
…
Page
55
Page
56
Page
57
Page
58
Current page
59
Page
60
Page
61
Page
62
Page
63
…
Next page
Next ›
Last page
Last »