Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - H

0 (2) 1 (19) 2 (10) A (781) B (1188) C (214) D (4214) E (1687) F (214) G (976) H (2493) I (1509) J (314) K (809) L (487) M (795) N (435) O (875) P (548) Q (2) R (424) S (1174) T (1160) U (212) V (1368) W (1264) X (3) Y (88) Z (1053)
Dutch Recording English Learn
Hierop wil ik graag je aandacht vestigen.
I would like to draw your attention to this.
hiervan
of this
hiervoor
for this
Hiervoor betaal ik niet.
I’m not paying for this.
hij
he
Hij aanbidt een gouden afgod.
He worships a golden idol.
Hij balde zijn vuist.
He clenched his fist.
Hij bedroog.
He was cheating.
Hij begon een tulband te dragen.
He started wearing a turban.
Hij beheerst zijn emoties.
He controls his emotions.
Hij bekeek de kleurrijke wikkel van de cadeautjes.
He examined the colourful wrapping of the gifts.
Hij bekritiseert voortdurend andere mensen.
He constantly criticizes other people.
Hij beloofte ook een sterk buitenlands beleid.
He also promised a strong foreign policy.
Hij besefte onbehaaglijk dat iedereen hem aanstaarde.
He realized uneasily that everyone was staring at him.
Hij betrapte de dief op heterdaad.
He caught the thief red-handed.
Hij betreurt zijn fouten.
He regrets his mistakes.
Hij bleef het gesprek in zijn hoofd herkauwen.
He kept rehashing the conversation in his head.
Hij bleek buitengewoon begaafd.
He turned out to be exceptionally gifted.
Hij bood hulp aan de kreupele oude vrouw.
He offered assistance to the crippled old woman.
Hij boog zich gretig voorover.
He bent forward eagerly.
Hij bracht drie dagen in de kerker door.
He spent three days in the dungeon.
Hij brak zijn sleutelbeen.
He broke his collar bone.
Hij brengt je erheen.
He will take you there.
Hij daagde mij uit voor een wedstrijd.
He challenged me to a competition.
Hij deed de deur open.
He opened the door.
hij doet
he does
Hij doet alsof hij heilig is, maar hij is een schijnheilige.
He acts holy, but he is a hypocrite.
Hij draagt de verantwoordelijkheid.
He bears the responsibility.
Hij dringt aan op een snelle oplossing.
He insists on a quick solution.
Hij drinkt elke ochtend koffie.
He drinks coffee every morning.
Hij drinkt melk.
He drinks milk.
Hij droeg een deftige outfit naar het feest.
He wore a classy outfit to the party.
Hij dronk gif en stierf.
He drank poison and died.
Hij duidt de fout in het verslag aan.
He points out the error in the report.
Hij duidt naar het noorden.
He points to the north.
Hij eet veel.
He eats a lot.