Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - E

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (797) B (1226) C (216) D (4348) E (1778) F (214) G (992) H (2571) I (1558) J (322) K (831) L (502) M (824) N (443) O (893) P (566) Q (2) R (442) S (1202) T (1172) U (216) V (1407) W (1302) X (3) Y (88) Z (1095)
Dutch Recording English Learn
Een woord wordt in lettergrepen verdeeld.
A word is divided into syllables.
een worm
a worm
een worst
a sausage
een wortel
a carrot
een zaadlozing
an ejaculation
een zacht gekreun
a soft moan
een zachte, blikkerige fluittoon
a soft, tinny whistle
een zaklamp
a torch
een zand
a sand
een zandweg tussen koren door
a dirt road through the grain
een zee
a sea
een zeer meelevend persoon
a very compassionate person
een zeer sterk deelnemersveld
a very strong field of participants
een zegen
a blessing
een zeilboot
a sailboat
een zeldzaam weerfenomeen
a rare weather phenomenon
een zes jaar oude jongen
a six-year-old boy
een zestiger
a man in his sixties
een zestiger en twee zeventigers
one in their sixties and two in their seventies
één zeven
one seven
een zeven drie
one seven three
een zeventiger
a man in his seventies
een ziek kind
a sick child
een ziekenhuisbed
a hospital bed
een ziekenhuisopname
a hospital admission
een zijden sjaal
a silk scarf
een zijraam
a side window
Een zilversmid gebruikt zilver.
A silversmith uses silver.
een zilversmid uit Antwerpen
a silversmith from Antwerp
een zin met de juiste interpunctie schrijven
to write a sentence with the correct punctuation
een zithoek
a seating area
een zoete peper
a sweet pepper
een zogenoemde laagpresteerder
a so-called low achiever
een zonsverduistering
a solar eclipse
een zoon
a son
een zuinig slokje thee
a frugal sip of tea