Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - E

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (797) B (1226) C (216) D (4348) E (1778) F (214) G (992) H (2571) I (1558) J (322) K (831) L (502) M (824) N (443) O (893) P (566) Q (2) R (442) S (1202) T (1172) U (216) V (1407) W (1302) X (3) Y (88) Z (1095)
Dutch Recording English Learn
een wee gevoel in zijn maag
a sick feeling in his stomach
een weefsel
a tissue
een weekend
a weekend
Een weekend heeft twee dagen.
There are two days in a weekend.
een weerspiegeling
a reflection
een weerspiegeling van de maatschappij
a reflection of society
een wekkerradio
a clock radio
Een welopgevoed eendje zet zijn poten buitenwaarts, evenals vader en moeder doen.
A well-mannered duckling puts its feet outwards, just like its mother and father do.
een wenteltrap
a spiral staircase
een wereld vol hypocrisie
a world full of hypocrisy
een wetenschapper
a scientist
een wetgeving
a legislation
een wetsgeneesheer
a legal practitioner
een wettelijk betaalmiddel
a legal tender
een wijziging
a change
een wilde graai
a wild grab
een wildebeest
a wildebeest
een winkelcentrum
a shopping centre
een wip
a seesaw
een wirwar van draden
a tangle of wires
een wirwar van emoties
a tangle of emotions
een wirwar van ideeën
a tangle of ideas
een wirwar van kleuren
a tangle of colours
een wit paard
a white horse
een witte kip met zwarte spikkels op haar veren
a white chicken with black speckles on her feathers
een witte raaf
a white raven
een witte schuimkraag
a white head of foam
een witte zwelling
a white swelling
Een woeste schreeuw joeg ons de stuipen op het lijf.
We were frightened by a savage scream.
een woestijn
a desert
een wolf
a wolf
Een wolk is gecondenseerde waterdamp.
A cloud is condensed water vapour.
een wond
a wound
een woonkamer
a living room
een woontoren
a residential tower
een woord
a word