Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2138) B (750) C (1259) D (867) E (543) F (754) G (445) H (1161) I (2026) J (131) K (83) L (540) M (759) N (384) O (454) P (913) Q (41) R (548) S (1911) T (7279) U (164) V (129) W (1231) X (4) Y (381) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a ridiculous story een potsierlijk verhaal
a righteous person een rechtschapen mens
a river een rivier
a rocking horse een schommelpaard
a Roman een Romein
a Roman from Italy een Romein uit Italië
A Roman speaks Latin. Een Romein spreekt Latijn.
a roof een dak
a roof tile een dakpan
a room een kamer
a rope een touw
A round trip, please. Heen-en-terug, graag.
a roundabout een rotonde
a rubber een rubber
a ruler een heerser
a safe way een veilige manier
a safe working environment een veilige werkomgeving
a safety net een vangnet
a safety vest een veiligheidshesje
a sailboat een zeilboot
a saint een heilige
a salad een salade
a sand een zand
a sandwich een sandwich
a sauce een saus
a sausage een worst
a scale een schaal
a school een school
a scientist een wetenschapper
a scout on horseback een verkenner te paard
a screen een scherm
a sea een zee
a seating area een zithoek
A second one was struck against the wall (paragraph) Een tweede werd tegen den muur afgestreken
A second one was struck against the wall Een tweede werd tegen den muur afgestreken
A second one was struck against the wall; it gave light, and where it shone against the wall, it went as transparent as a veil, she could see into the room. Een tweede werd tegen den muur afgestreken; het gaf licht, en waar het schijnsel op den muur viel, werd deze doorzichtig als een sluier; zij kon in de kamer zien.