Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2138) B (750) C (1259) D (867) E (543) F (754) G (445) H (1161) I (2026) J (131) K (83) L (540) M (759) N (384) O (454) P (913) Q (41) R (548) S (1911) T (7279) U (164) V (129) W (1231) X (4) Y (381) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a spaceman een ruimtevaarder
A spark caused the gunpowder to explode. Door een vonk ontplofte het buskruit.
a spectator een toeschouwer
a speedy recovery een spoedig herstel
a spiral staircase een wenteltrap
a splash een plons
a spoon een lepel
a squat een kraakpand
a squid een inktvis
A squirrel hid among the branches. Een eekhoorntje verstopte zich tussen de takken.
a stabbing with a utility knife een steekpartij met een breekmes
a stadium een stadion
a stage een podium
a stapler een nietje
a star in the sky een ster aan de hemel
a statement that cannot be approved under any circumstances een uitspraak die onder geen beding goed te keuren valt
a station een station
a statue as an idol een standbeeld als afgod
a steak een biefstuk
a steaming cup een dampende beker
a steel een staal
a steep mountain slope een steile berghelling
a still water een stilstaand water
A stitch in time saves nine. Voorkomen is beter dan genezen.
A storm breaks loose. Een storm barst los.
A storm prevented the plane from taking off. Door een storm is het vliegtuig niet kunnen vertrekken.
a story een verhaal
a straw een rietje
a strawberry een aardbei
a stray cat een zwerfkat
A stray cat came into our garden. Een zwerfkat kwam naar onze tuin.
a stray dog een zwerfhond
a strict prison sentence een strenge gevangenisstraf
a strike notice een stakingsaanzegging
a strip of fabric een reep stof
a strip of land een reep land