Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2138) B (750) C (1259) D (867) E (543) F (754) G (445) H (1161) I (2026) J (131) K (83) L (540) M (759) N (384) O (454) P (913) Q (41) R (548) S (1911) T (7279) U (164) V (129) W (1231) X (4) Y (381) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a stroller een kinderwagen
a strong team een hecht team
a stronger defense een sterkere defensie
a structured, resource-oriented approach een structurele, brongerichte aanpak
a stubborn child een koppig kind
a student een student
a stunning scene een verbluffend tafereel
a subject een onderwerp
a sugar een suiker
a suicide note een afscheidsbrief
a suitcase een koffer
a sullen face een nors gezicht
a support base een draagvlak
a survey een rondvraag
a sustainable approach een duurzame omgang
a sweet een snoepje
a sweet little black cat een lieve, kleine, zwarte kat
a sweet pepper een zoete peper
a sweet, small, black kitten een lief, klein, zwart katje
a swelling on the cheek een zwelling op de wang
a sympathetic sound een meelevend geluidje
a table een tafel
A table for four please. Een tafel voor vier aub.
A table for one, please. Een tafel voor één, alstublieft.
A table for three please. Een tafel voor drie aub.
A table for two please. Een tafel voor twee aub.
a tablespoon een eetlepel
a tail een staart
a tall woman een lange vrouw
a tangle of colours een wirwar van kleuren
a tangle of emotions een wirwar van emoties
a tangle of ideas een wirwar van ideeën
a tangle of wires een wirwar van draden
a tapestry een wandkleed
a tattered, frayed wizard hat een verfomfaaide, gerafelde tovenaarshoed
a tea een thee