Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2161) B (755) C (1268) D (874) E (544) F (756) G (445) H (1177) I (2038) J (132) K (83) L (543) M (764) N (385) O (457) P (915) Q (43) R (550) S (1925) T (7326) U (167) V (129) W (1247) X (4) Y (383) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a person of flesh and blood een mens van vlees en bloed
a personality een persoonlijkheid
a pharaoh een farao
a pharmacist een apotheker
a pharmacy een apotheek
a phoenix een feniks
a phone een telefoon
a photographer een fotograaf
a pickaxe een houweel
a picture with my aunt een foto met mijn tante
a piece of cake een fluitje van een cent
a piece of chalk een stukje krijt
a piece of old parchment een stuk oud perkament
a piercing scream een doordringende gil
a pig een varken
a pile of manure een hoop mest
A pile-up happened during rush hour. Een kettingbotsing gebeurde tijdens de spits.
a pineapple een ananas
A pinstripe is a classic pattern. Een krijtstreep is een klassiek patroon.
a place een plek
a placemat een placemat
a plague een plaag
a plaintiff een eiser
a plate een bord
a player een speler
a plea een pleidooi
a pleasant holiday een deugddoende vakantie
a plumber een loodgieter
a point of contact een aanspreekpunt
a poisonous comb een giftige kam
a poisonous snake een gifslang
a poke een por
A pole is a stick used to jump over objects. Een polsstok is een stok die gebruikt wordt om over objecten te springen.
a policeman een politieman
a political rift een politieke breuk
A poll showed that 79% felt themselves hampered in their right to vote. Uit een poll blijkt dat 79% zich belemmerd voelde in zijn stemrecht.