Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2102) B (749) C (1246) D (861) E (542) F (749) G (443) H (1139) I (1995) J (126) K (83) L (528) M (747) N (384) O (451) P (898) Q (36) R (538) S (1881) T (7218) U (162) V (129) W (1220) X (4) Y (380) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a plate een bord
a player een speler
a plea een pleidooi
a pleasant holiday een deugddoende vakantie
a plumber een loodgieter
a point of contact een aanspreekpunt
a poisonous comb een giftige kam
a poisonous snake een gifslang
a poke een por
A pole is a stick used to jump over objects. Een polsstok is een stok die gebruikt wordt om over objecten te springen.
a policeman een politieman
a political rift een politieke breuk
A poll showed that 79% felt themselves hampered in their right to vote. Uit een poll blijkt dat 79% zich belemmerd voelde in zijn stemrecht.
a poor widow een arme weduwe
a position een positie
a positive attitude een positieve ingesteldheid
a postcard and memories een ansicht en herinneringen
a postposition een achterzetsel
a potato een aardappel
a powder keg een kruitvat
a powder puff een poederdons
a practice een praktijk
a president een president
a preventive measure een preventieve maatregel
a prison sentence een gevangenisstraf
a prison sentence een celstraf
a prison sentence of between two and three years een gevangenisstraf tussen twee en drie jaar
a prison uniform een gevangenisuniform
A prize will be raffled at the party. Tijdens het feest wordt een prijs verloot.
a pro-active approach een pro-actieve aanpak
a problem een euvel
a professional appearance een professionele uitstraling
a programmer een programmeur
a project een project
a promise een belofte
a proper pronunciation een behoorlijke uitspraak