Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - I

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2162) B (755) C (1268) D (875) E (544) F (756) G (445) H (1177) I (2041) J (133) K (83) L (543) M (764) N (385) O (457) P (915) Q (43) R (550) S (1925) T (7333) U (167) V (129) W (1250) X (4) Y (383) Z (21)
English Dutch Recording Learn
I read comic books. Ik lees stripboeken.
I read three books a week. Ik lees drie boeken per week.
I really appreciate it. Ik stel het erg op prijs.
I really liked Tom. Ik vond Tom heel leuk.
I received compensation for my work. Ik kreeg een vergoeding voor mijn werk.
I remember every threat. Ik herinner me elk dreigement.
I remember. Ik herinner me.
I replace ik vervang
I resigned. Ik heb ontslag genomen.
I respect everyone’s opinion. Ik heb respect voor ieders mening.
I said nothing. Ik zei niets.
I saved money so that I can travel. Ik heb gespaard zodat ik kan reizen.
I saw a man with a measuring stick in his hand. Ik zag een man met een meetlat in zijn hand.
I saw my aunt yesterday. Ik heb mijn tante gisteren gezien.
I saw that guy yesterday. Ik zag die kerel gisteren.
I saw the light at the end of the tunnel. Ik zag een licht aan het einde van de tunnel.
I saw their mother’s skipping rope ik zag hun moeders touwtjespringen
I saw your sister the day before yesterday. Ik zag jouw zus eergisteren.
I see a house in the distance. Ik zie een huis in de verte.
I see steam from the kettle. Ik zie stoom uit de ketel.
I should have been able to handle Tom. Ik had Tom moeten aankunnen.
I should have come earlier. Ik had eerder moeten komen.
I should not have said that. Dat had ik niet moeten zeggen.
I shouldn’t have called. Ik had niet moeten bellen.
I shouldn’t have eaten that. Ik had dat niet moeten eten.
I shouldn’t have gotten so angry. Ik had niet zo boos moeten worden.
I shower almost every day. Ik douch bijna elke dag.
I sleep in my car. Ik slaap in mijn auto.
I slept like a log. Ik sliep als een blok.
I speak ik spreek
I speak English and French. Ik spreek Engels en Frans.
I speak English and Italian. Ik spreek Engels en Italiaans.
I speak English. Ik spreek Engels.
I speak French and a little bit of English. Ik spreek Frans en een beetje Engels.
I speak some French. Ik spreek een beetje Frans.
I squeeze the orange. Ik pers de sinaasappel uit.