Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2102) B (749) C (1246) D (861) E (542) F (749) G (443) H (1139) I (1995) J (126) K (83) L (528) M (747) N (384) O (451) P (898) Q (36) R (538) S (1881) T (7218) U (162) V (129) W (1220) X (4) Y (380) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a fun package een pretpakket
a game een spel
a games room een speelkamer
a garden een tuin
a gardener een tuinman
a gene een gen
a general power cut een algemene stroomonderbreking
a ghost een schim
a gift een geschenk
a girl een meisje
A girl doesn't dare to go home for fear of punishment and cold. Een meisje durft niet naar huis uit angst voor straf en kou.
A girl was injured in her face at the level of the neck and ear. Een meisje raakte daarbij gewond in haar aangezicht ter hoogte van de hals en het oor.
a glancing blow een schampschot
a glass een glas
a glass of red house wine een glas rode huiswijn
a glass of red wine een glas rode wijn
a glimpse een glimp
a go-getter een doorzetter
a goalkeeper een keeper
a god een god
a golden idol een gouden afgod
a good day een goede dag
A good education is essential for a successful career. Een goede opleiding is essentieel voor een succesvolle loopbaan.
a good friend een goede vriend
a good idea een goed idee
a good teacher een goede leraar
a good teacher (female teacher) een goede lerares
a goodbye een afscheid
a granddaughter een kleindochter
a grandfather een grootvader
a grandmother een grootmoeder
a grandson een kleinzoon
a grant een beurs
a grass een gras
a great adventure een geweldig avontuur
A great hunt was held; the hunters lay around the swamp; yes, some sat up in the branches of the trees, which stretched far over the reed. Er werd een grote jacht gehouden; de jagers lagen rondom het moeras; ja, enigen zaten boven in de takken der boomen, die zich ver over het riet uitstrekten.