Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2138) B (750) C (1259) D (867) E (543) F (754) G (445) H (1161) I (2026) J (131) K (83) L (540) M (759) N (384) O (454) P (913) Q (41) R (548) S (1911) T (7279) U (164) V (129) W (1231) X (4) Y (381) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a waiter een ober
a waitress een serveerster
a wardrobe een garderobe
a warehouse een magazijn
A warm hug can provide a lot of comfort. Een warme knuffel kan veel troost bieden.
a warrior and his spear een krijger en zijn speer
a washing machine een wasmachine
a waste bin een afvalbak
a water een water
a water cannon een waterkanon
a water level een waterpeil
a water level of one and a half meters high een waterpeil van anderhalve meter hoog
a waterfall een waterval
a watering can een gieter
a wax statue een wassen standbeeld
a wealthy moneylender een rijke geldschieter
a weapon of war een oorlogswapen
a weekend een weekend
a weight een gewicht
a well een put
a well-defined range of tasks een afgelijnd takenpakket
a well-known saying een bekend gezegde
A well-mannered duckling puts its feet outwards, just like its mother and father do. Een welopgevoed eendje zet zijn poten buitenwaarts, evenals vader en moeder doen.
A well-timed witty remark can do a lot. Een goed getimede kwinkslag kan veel doen.
a wheat een tarwe
a whipping een zweepslag
a white chicken with black speckles on her feathers een witte kip met zwarte spikkels op haar veren
a white head of foam een witte schuimkraag
a white horse een wit paard
a white raven een witte raaf
a white swelling een witte zwelling
a whole drawer een hele la
a whole new momentum een hele nieuwe schwung
a wide grin een brede grijns
a widow een weduwe
A widow often wears black. Een weduwe draagt ​​vaak zwart.