Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (2) 1 (13) 2 (8) 3 (1) 4 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (2102) B (749) C (1246) D (861) E (542) F (749) G (443) H (1139) I (1995) J (126) K (83) L (528) M (747) N (384) O (451) P (898) Q (36) R (538) S (1881) T (7218) U (162) V (129) W (1220) X (4) Y (380) Z (21)
English Dutch Recording Learn
a lot like each other veel op elkaar
a lot of veel
a lot of dedication veel toewijding
a lot of guts veel lef
A lot of kids wear jeans. Veel kinderen dragen een spijkerbroek.
a lot of money een flinke duit
a lot of nonsense een hoop stennis
A lot of people need help from a psychologist. Heel veel mensen hebben hulp van een psycholoog nodig.
a lot of suffering veel leed
a lot of travelling this month veel gereis deze maand
A lot of women buy shoes one size too small, because they find them prettier. Veel vrouwen kopen schoenen een maat te klein, omdat ze dat mooier vinden.
a love een liefde
a low level of education een laag opleidingsniveau
a lunatic een halvegare
a lunch een lunch
a magic potion een toverdrank
a magnet een magneet
a main course een hoofdgerecht
a major air raid een grote luchtaanval
a major reform een ingrijpende hervorming
a male friend een mannelijke vriend
a malnourished vulture een ondervoede gier
a malty taste een moutige smaak
a man een man
a man and a woman een man en een vrouw
a man in his seventies een zeventiger
a man in his sixties een zestiger
a man with a beard een man met een baard
a man with leprosy een melaatse man
a managerial position een leidinggevende functie
a map een plattegrond
a maple een esdoorn
a market een markt
a market leader in the manufacturing sector een marktleider in de productiesector
a mask een masker
a maze een doolhof