Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - W

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (798) B (1226) C (217) D (4351) E (1779) F (214) G (992) H (2576) I (1561) J (324) K (831) L (502) M (828) N (443) O (894) P (567) Q (2) R (442) S (1202) T (1173) U (216) V (1407) W (1305) X (3) Y (88) Z (1098)
Dutch Recording English Learn
walnoten
walnuts
wanbedrijf
misdemeanor
wanbetalers
defaulters
wand
wall
wandel
walk
wandelden
walked
wandelen
to walk
Wandelen in de natuur is een genot.
Walking in nature is a pleasure.
wandeling
walk
wandelschoenen
hiking boots
wandelstok
walking stick
wanden
walls
wandkleed
tapestry
wandklok
wall clock
wandtapijt
tapestry
Waneer een 16-jarige hetzelfde zou doen, is dat afwijkend gedrag en kan er wel op gereageerd worden.
When a 16-year-old does the same thing, that is deviant behaviour and can be responded to.
wang
cheek
wangedrag
misconduct
Wangedrag kan ernstige consequenties hebben.
Misconduct can have serious consequences.
wangen
cheeks
wanhopig
in despair
wanneer
when
Wanneer begint de vergadering?
When does the meeting start?
Wanneer begint het optreden?
When does the performance begin?
Wanneer ben je geboren?
When were you born?
wanneer er Frans gesproken moet worden
when you need to speak French
Wanneer ga je in het huwelijksbootje stappen?
When are you planning to get married?
Wanneer ga je naar het café?
When are you going to the cafe?
Wanneer ga je naar Parijs?
When are you going to Paris?
Wanneer ga je naar Wenen?
When are you going to Vienna?
Wanneer gaan de winkels open?
When do the shops open?
Wanneer gaan we naar het restaurant?
When are we going to the restaurant?
Wanneer gaan we naar het strand?
When are we going to the beach?
Wanneer gaan we naar Lyon?
When are we going to Lyon?
Wanneer gaat ze naar Lyon?
When is she going to Lyon?
Wanneer heb je het gekocht?
When did you buy it?