Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - T

0 (2) 1 (19) 2 (10) A (782) B (1190) C (214) D (4217) E (1689) F (214) G (977) H (2497) I (1511) J (314) K (809) L (490) M (795) N (436) O (877) P (548) Q (2) R (428) S (1176) T (1161) U (212) V (1370) W (1264) X (3) Y (88) Z (1054)
Dutch Recording English Learn
Toen zij het huis uitging, had zij wel is waar pantoffels aangehad; maar wat hielp dat?
When she left the house she must have been wearing slippers; but what did that help?
Toen zij het huis uitging, had zij weliswaar pantoffels aangehad
When she left the house, it is true, all that she he had on was a pair of slippers
toen zij weggingen
when they were leaving
toename
increase
toenemende
growing
toepasselijk
applicable
toepassen
to apply
toepassen in de praktijk
to apply in practice
toepassing
application
toepassingen
applications
toerist
tourist
toeristen
tourists
Toeristen verdrongen zich rond het beroemde standbeeld.
Tourists crowded around the famous statue.
toeristisch
touristy
toeschouwer
spectator
toeschouwers
onlookers
toeslaan
to strike
toeslag
surcharge
toespraak
speech
toespreken
to address
toestaan
to allow
toestand
state; condition
Toestand in Brussel wordt almaar nijpender
Situation in Brussels is becoming increasingly dire
toestemming
permission
toestroom
influx
toetreding
accession
toets
key (on a keyboard)
toets
test
toetsen
tests
toetsenbord
keyboard
toeval
fit
toeval
coincidence
toevallig
by chance
Toevallig ben ik een goede chauffeur.
I happen to be a good driver.
Toevallig ben ik hem tegengekomen.
I met him by chance.
Toevallig zag hij een zeldzame vlinder.
By chance he saw a rare butterfly.