Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - H

0 (2) 1 (19) 2 (10) A (782) B (1193) C (214) D (4218) E (1689) F (214) G (978) H (2498) I (1511) J (314) K (811) L (490) M (795) N (436) O (878) P (548) Q (2) R (429) S (1177) T (1161) U (213) V (1370) W (1265) X (3) Y (88) Z (1054)
Dutch Recording English Learn
hebben
to have
hebben
have (plural)
hebben
having
Hebben jullie pizza besteld?
Did you guys order pizza?
Hebben kwallen een bewustzijn?
Do jellyfish have consciousness?
Hebben we genoeg meel?
Do we have enough flour?
hebberig
greedy
Hebreeuws
Hebrew
Hebreeuwse
Hebrew (long form)
hebt
have (2nd person singular)
Hebt u me bedrogen?
Did you cheat on me?
Hebt u onlangs hartkloppingen gehad of voelde het alsof uw hart tekeer ging?
Have you recently experienced palpitations or felt like your heart was racing?
Hebt u uw belager gezien?
Did you see your attacker?
hebzucht
greed
Hebzucht is een van de zeven hoofdzonden.
Greed is one of the seven cardinal sins.
Hebzucht leidde tot zijn ondergang.
Greed led to his downfall.
hebzuchtig
greedy
hebzuchtig
greedily
hebzuchtig gedrag
greedy behavior
hebzuchtig handelen
to act greedily
hebzuchtige
greedy (inflected form)
hecht
strong
hechte
close
hechtenis
imprisonment
hechtingen
stitches
hectisch
hectic
hectische
hectic
heden
at present
heeft
have (2nd person formal)
heeft
has
heeft gekocht
has bought
heeft hem
has him
heeft hij
does he have
Heeft hij een hond?
Does he have a dog?
Heeft hij een kans om de verkiezingen te winnen?
Does he have a chance of winning the election?
Heeft hij het bewustzijn verloren?
Did he lose consciousness?