Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - H

0 (2) 1 (19) 2 (10) A (782) B (1190) C (214) D (4217) E (1689) F (214) G (977) H (2497) I (1511) J (314) K (809) L (490) M (795) N (436) O (877) P (548) Q (2) R (428) S (1176) T (1161) U (212) V (1370) W (1264) X (3) Y (88) Z (1054)
Dutch Recording English Learn
het schepsel
the creature
het scherm
the screen
het schietincident
the shooting incident
het schijngevecht
the mock battle
het schijnsel
the glare
Het schijnt dat we een mol in ons midden hebben.
It seems as though we have a mole in our midst.
het schild
the shield
het schilderij
the painting
Het schilderij toont een vredig tafereel.
The painting shows a peaceful scene.
Het schilderij was de blikvanger van de show.
The painting was the eye-catcher of the show.
Het schilderij werd beschadigd teruggevonden.
The painting was found damaged.
het schip
the ship
het schommelpaard
the rocking horse
het schoolbord
the blackboard
het schot
the shot
het schoteltje
the saucer
het schuim
the foam
het semester
the semester
het signaal
the signal
het sinaasappelsap
the orange juice
het sipste gezicht
the saddest face
het slachtoffer
the victim
het slavenjuk
the yoke of slavery
het slechte weer
the bad weather
het slokje
the sip (diminutive)
het slot
the lock
het slotlied
the closing song
het smeden van staal
the forging of steel
Het smelten van de poolkappen kan bijdragen aan het stijgen van het zeeniveau.
Melting polar icecaps could also contribute to an increase in sea levels.
Het sneeuwde een beetje vorige nacht.
It snowed a little last night.
Het sneeuwt.
It’s snowing.
het snoep
the candy
het sollicitatiegesprek
the job interview
het spandoek
the banner
Het spat uit elkaar.
It shatters to pieces.
Het speelgoed waarmee de jongen speelde is stuk.
The toy the boy was playing with is broken.