Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - L

0 (2) 1 (19) 2 (10) A (781) B (1188) C (214) D (4215) E (1687) F (214) G (976) H (2494) I (1510) J (314) K (809) L (487) M (795) N (435) O (876) P (548) Q (2) R (427) S (1174) T (1160) U (212) V (1368) W (1264) X (3) Y (88) Z (1054)
Dutch Recording English Learn
laten
to let
Laten we allen samen ons Vlaamse erfgoed koesteren.
Let’s all cherish our Flemish heritage together.
laten we bespreken
let’s discuss
Laten we boodschappen doen.
Let’s go grocery shopping.
Laten we de les overslaan.
Let’s skip class.
Laten we een betere manier verzinnen om dit te doen.
Let’s figure out a better way to do this.
Laten we erachter komen waar Tom is.
Let’s find out where Tom is.
Laten we het leven samen beleven!
Let’s live life together!
Laten we het niet over geld hebben.
Let’s not talk about money.
Laten we het niet over school hebben.
Let’s not talk about school.
Laten we het nu bespreken.
Let’s discuss it now.
Laten we het proberen.
Let’s try it.
Laten we het vragen.
Let’s ask.
Laten we honkballen.
Let’s play baseball.
Laten we kijken of we hun aandacht kunnen trekken.
Let’s see if we can get their attention.
Laten we ons richten op onze overeenkomsten.
Let’s focus on what we have in common.
Laten we serieus worden.
Let’s get serious.
Laten we spelen.
Let’s play.
later
later
Latijns
Latin
lauw
lukewarm
lawaai
noise
Léa
Léa
ledekant
bedstead
leden
members
ledikanten
bedsteads
leed
sorrow
leef
live
Leef je uit.
Live a little.
Leef zolang je kan.
Live while you can.
leefbaar
livable
leefde
lived
leefden
lived
leeft
lives (3rd person singular)
leeftijd
age
leeg
empty