Understand spoken Dutch

Dutch-English Dictionary - B

0 (2) 1 (18) 2 (9) A (792) B (1214) C (215) D (4296) E (1740) F (213) G (987) H (2533) I (1523) J (320) K (824) L (496) M (808) N (441) O (889) P (556) Q (2) R (438) S (1194) T (1171) U (214) V (1400) W (1281) X (3) Y (88) Z (1075)
Dutch Recording English Learn
Ben je klaar om te bestellen?
Are you ready to order?
Ben je niet heet?
Aren’t you hot?
Ben je niet in een warme kamer gekomen en heb je niet een gezelschap, waarvan je nog wat kunt leren?
Have you not come into a warm room and don’t you have a company from which you can learn something?
Ben je niet in het restaurant?
You’re not at the restaurant?
Ben je niet op vakantie?
You’re not on holiday?
Ben je niet te laat?
You’re not late?
Ben je niet tevreden?
You’re not happy?
Ben je nog bezig?
Are you still busy?
Ben je nog steeds bang?
Are you still scared?
Ben je nog steeds te zwaar?
Are you still overweight?
Ben je op vakantie?
Are you on holiday?
Ben je op vakantie?
You’re on holiday?
Ben je thuis?
Are you home?
Ben je timmerman?
Are you a carpenter?
Ben je voor hun beleid?
Are you in favor of their policy?
Ben je vrij?
Are you free?
Ben je vrijgezel?
Are you single?
Ben je zelfs niet nieuwsgierig?
Aren’t you even a little curious?
ben je?
are you?
Ben jij een optimist of een pessimist?
Are you an optimist or a pessimist?
Ben jij een van Tom zijn dochters?
Are you one of Tom’s daughters?
Ben jij Frans?
You’re French?
Ben jij geen Fransman?
You’re not French?
Ben jij Maria of Miguel?
Are you Maria or Miguel?
Ben jij moe?
Are you tired?
benaderen
to approach
benadering
approach
benadrukken
to emphasize
benadrukt
stresses (3rd person singular)
benaming
name
bende
gang
bendes
gangs
beneden
downstairs
beneden
down
beneden
below
benedenverdieping
ground floor