Summary
The Dutch translation for “it” is het.
Examples of "it" in use
There are 467 examples of the Dutch word for "it" being used:
Recording |
English |
Dutch |
Learn |
|
One evening a strong thunderstorm came; there was thunder and lighting, the rain was pouring down, it was terrible weather! |
Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk weer! |
|
|
Hi! How are you? |
Hoi, hoe gaat het? |
|
|
it takes some getting used to |
het is wennen |
|
|
In the middle of this there was a duck in her nest, who had to hatch her young; but it almost bored her, it took so long, before the ducklings hatched. |
Te midden hiervan zat in haar nest een eend, die haar jongen moest uitbroeden; maar het begon haar bijna te vervelen, zo lang duurde het, eer de jongen uitkwamen. |
|
|
It shatters to pieces. |
Het spat uit elkaar. |
|
|
It’s a no-brainer. |
Het is een makkie. |
|
|
It turned its head to put it under his wings; but at the same moment there was a terribly big dog close to the duckling. |
Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels te steken; maar op hetzelfde ogenblik stond er een vreselijk grote hond dicht bij het eendje. |
|
|
It may snow. |
Het kan sneeuwen. |
|
|
I put it together. |
Ik steek het in elkaar. |
|
|
sounds certainly |
klinkt het stellig |
|