Understand spoken Dutch

Pronouns Examples Dutch lesson

Recording English Dutch Status
We happened to be on the same train. We zaten toevallig in dezelfde trein.
When will this bus arrive in Brussels? Wanneer komt deze bus aan in Brussel?
Yanni has a map on his phone. Yanni heeft een kaart op zijn telefoon.
How do I get to the airport? Hoe kom ik bij de luchthaven?
That’s not something anyone can do. Dat is niet iets wat eender wie kan doen.
When will this train arrive in Brussels? Wanneer komt deze trein aan in Brussel?
I know, I think it might rain. Ik weet het, ik denk dat het zou kunnen regenen.
Tom and I were born on the same day. Tom en ik zijn op dezelfde dag geboren.
I am a citizen from the United States. Ik ben een burger uit de Verenigde Staten.
He gets his hair cut once a month. Hij laat zijn haar eens per maand knippen.
Let me get straight to the point. Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen.
It won’t be easy for you. Het zal niet gemakkelijk zijn voor jou.
Tom’s house was easy to find. Tom zijn huis was gemakkelijk te vinden.
I’m pretty sure that this is Tom’s umbrella. Ik ben er vrij zeker van dat dit de paraplu van Tom is.
It’s the 16th of June 1978. Het is 16 juni 1978.
It’s the 22nd of June 1976. Het is 22 juni 1976.
I was born on the 16th of June 1978. Ik ben geboren op 16 juni 1978.
If you will be hard on yourself, life will be easy on you. Als je hard voor jezelf bent, zal het leven gemakkelijk voor je zijn.
I was born on the 22nd of June 1976. Ik ben geboren op 22 juni 1976.
It’s the middle of summer; it shouldn’t rain today. Het is midden in de zomer, het zou vandaag niet moeten regenen.