Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"it" Practice Lesson
"it" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
What time is it?
Hoe laat is het?
What time does it open?
Hoe laat gaat het open?
It’s a hole.
Het is een gat.
It’s nearly half past two.
Het is bijna half drie.
The question is whether he can do it or not.
De vraag is of hij het kan doen of niet.
Do you like it?
Vind je het leuk?
I like it.
Ik vind het leuk.
I did it for the money.
Ik deed het voor het geld.
What were you talking about?
(you plural)
Waar hadden jullie het over?
It’s not important.
Het is niet belangrijk.
It was the last evening of the year.
Het was de laatste avond van het jaar.
Even if I wanted to, I couldn’t do that.
Zelfs als ik het zou willen, zou ik dat niet kunnen doen.
It is true.
Het is waar.
One day, we’ll know.
Op een dag zullen we het weten.
it had an open window
het had een open raam
What day is it tomorrow?
Welke dag is het morgen?
It’s for my family.
Het is voor mijn familie.
It was a day full of misery.
Het was een dag vol ellende.
Let’s not talk about money.
Laten we het niet over geld hebben.
Just because you can, doesn’t mean that you should.
Het is niet omdat je het kunt, dat het ook moet.
Pagination
First page
« First
Previous page
‹ Previous
Page
1
Page
2
Current page
3
Page
4
Page
5
Page
6
Page
7
Page
8
Page
9
…
Next page
Next ›
Last page
Last »