Understand spoken Dutch

Conjunctions Examples Dutch lesson

Recording English Dutch Status
You can use my car, if you want to. Je mag mijn auto gebruiken, als je wil.
My wife and children depend on me. Mijn vrouw en kinderen zijn afhankelijk van mij.
Who is that boy? Wie is die jongen?
You can’t win if you don’t play. Je kan niet winnen als je niet speelt.
Whenever I think of you, I thank God. Telkens als ik aan u denk, dank ik God.
When does the meeting start? Wanneer begint de vergadering?
that village from back then, it’s gone dat dorp van toen, het is voorbij
When is Santa Claus coming? Wanneer komt de kerstman?
I’m tired, but I still can’t fall asleep. Ik ben moe maar ik kan nog niet slapen.
I’m Mary by the way and this is Tom. Ik ben trouwens Maria, en dit is Tom.
We have to leave now if we want to get home before dark. Wanneer we voor het donker thuis willen zijn, dan moeten we nu op pad gaan.
I was a kid and didn’t know any better than that it would never pass ik was een kind en wist niet beter dan dat ’t nooit voorbij zou gaan
Line twelve or line five? Lijn twaalf of lijn vijf?
when we had the idea toen we het idee hadden
When do owls sleep? Wanneer slapen uilen?
Yanni and Skura were happy together. Yanni en Skura waren gelukkig samen.
I’m not as old as you, of course. Uiteraard ben ik niet zo oud als jij.
I felt safe when he was with me. Ik voelde me veilig wanneer hij bij me was.
she now saw them like stars in the sky zij zag ze nu als sterren aan den hemel
She got married when she was twenty-five. Ze is getrouwd toen ze 25 was.