Understand spoken Dutch

"good" Practice Dutch lesson

Recording English Dutch Status
He stirred the tea well. Hij roerde de thee goed.
A single match would do her good, if she would dare to take one from a box, strike it against the wall to warm her fingers. Één enkel lucifertje zou haar wel goed doen, als zij er maar één uit een doosje durfde nemen, dit tegen den muur afstrijken en zich de vingers daaraan warmen.
This turkey tastes good. Deze kalkoen smaakt goed.
The operation went well. De operatie is goed verlopen.
The deck was poorly shuffled. De kaarten werden niet goed geschud.
I listened carefully to what they said. Ik luisterde goed naar wat ze zeiden.
Check if the seam is properly stitched. Controleer of de naad goed is gestikt.
A well-timed witty remark can do a lot. Een goed getimede kwinkslag kan veel doen.
Fiber-rich food is good for your intestines. Vezelrijk voedsel is goed voor je darmen.
His flattery was well received by the bosses. Zijn vleierij werd goed ontvangen door de bazen.
He’s desperately trying to make up for the delay. Hij tracht wanhopig de achterstand goed te maken.
Whoever takes on the task must be well-organized. Eender wie de taak op zich neemt, moet goed georganiseerd zijn.
And now all the little ducks hurried, as much as they could, and they emerged from the eggs and looked everywhere under the green leaves; and the mother let them look, as much as they wanted; because green is good for the eyes. En nu haasten zich al de kleine eendjes, wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijn en keken naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken, zoveel als zij maar wilden; want groen is goed voor de ogen.
In the capital Beijing the people groan almost daily under high concentrations of fine dust. In de hoofdstad Peking kreunt de bevolking zo goed als dagelijks onder te hoge concentraties fijn stof.