Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"it" Practice Lesson
"it" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
I think what you’re saying is true.
Ik denk dat het waar is wat je zegt.
Winter came.
Het werd winter.
does he like
vindt hij het leuk
It was entirely coincidental.
Het was geheel toevallig.
I won’t tell anyone.
Ik zal het niemand vertellen.
I think everyone likes it.
Ik denk dat iedereen het leuk vindt.
I like to solve problems.
Ik vind het leuk om problemen op te lossen.
You must tell me.
(you plural)
Jullie moeten het me vertellen.
It felt like a heart attack.
Het voelde als een hartaanval.
Do you see it?
Zie je het?
Am I wrong?
Heb ik het fout?
I can’t see it either.
Ik zie het ook niet.
It all went wrong.
Het ging allemaal fout.
I don’t need it yet.
Ik heb het nog niet nodig.
It’s a very long flight.
Het is een hele lange vlucht.
I don’t know whether you like her or not.
Ik weet het niet of je van haar houdt of niet.
I liked what you said.
Ik vond het leuk wat je zei.
I learnt it at school.
Ik heb het op school geleerd.
She learned it from her parents.
Ze heeft het geleerd van haar ouders.
What will the weather be like?
Wat voor weer wordt het?
Pagination
First page
« First
Previous page
‹ Previous
Page
1
Page
2
Page
3
Page
4
Current page
5
Page
6
Page
7
Page
8
Page
9
…
Next page
Next ›
Last page
Last »