Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"it" Practice Lesson
"it" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
How’s it going?
Hoe gaat het?
How are you?
Hoe gaat het met je?
Have you been well?
Gaat het goed met je?
I think so.
Ik denk het.
I don’t think so.
Ik denk het niet.
It’s ten past eight.
Het is tien over acht.
It’s twenty-five past eight.
Het is vijfentwintig over acht.
It doesn’t matter.
Het maakt niets uit.
What day is it?
Welke dag is het?
It’ll be fine.
Het komt wel goed.
It’s eight o’clock.
Het is acht uur.
How is your dad?
Hoe gaat het met je vader?
She came to do it herself.
Ze kwam om het zelf te doen.
There it revived.
Daar kwam het weer bij.
Then it does not matter.
Dan maakt het niet uit.
-ing
(indicates continuous tense)
aan het
It has been open for two years now.
Het is nu twee jaar open.
He didn’t know how to behave himself.
Het wist zelf niet, hoe het zich zou houden.
I am cold.
Ik heb het koud.
It is cold here.
Het is hier koud.
Pagination
First page
« First
Previous page
‹ Previous
Page
1
Current page
2
Page
3
Page
4
Page
5
Page
6
Page
7
Page
8
Page
9
…
Next page
Next ›
Last page
Last »