Understand spoken Dutch

Verbs (Present tense, 1st person singular) Examples Dutch lesson

Recording English Dutch Status
He walked to the castle with great strides. Hij liep met grote passen naar het kasteel.
Tom can’t decide whether he should go. Tom kan niet beslissen of hij moet gaan.
Extortion can lead to imprisonment. Afpersing kan leiden tot gevangenisstraf.
Do you know what Tom’s favourite drink is? Weet jij wat Tom zijn favoriete drankje is?
This misery is more than I can bear. Dit is meer ellende dan ik kan verdragen.
Now it ran away and flew over the fence. Nu liep het weg en vloog over de schutting.
Nobody can answer this question. Niemand kan deze vraag beantwoorden.
I wonder whether Tom left early. Ik vraag me af of Tom vroeg is vertrokken.
I am satisfied with my career so far. Ik ben tevreden met mijn loopbaan tot nu toe.
I’m the one who got beaten up. Ik ben degene die in elkaar geslagen werd.
I have to consider every possibility. Ik moet iedere mogelijkheid overwegen.
Obviously a hug must remain possible. Uiteraard moet een knuffel mogelijk blijven.
I am involved in the negotiation. Ik ben betrokken bij de onderhandeling.
I don’t think that’s a good investment. Ik denk niet dat het een goede investering is.
A loan can help buy a house. Een ontlening kan helpen bij het kopen van een huis.
I want to talk to the American consulate. Ik wil met het Amerikaanse consulaat spreken.
Do you have a managerial position? Heb je een leidinggevende functie?
I am somewhat surprised by the news of his departure. Ik ben enigszins verrast door het nieuws dat hij vertrekt.
Whenever I meet her, I get the desire to kiss her. Telkens als ik haar ontmoet krijg ik het verlangen haar te kussen.
I prefer walking to being carried in a vehicle. Ik ga liever te voet dan in een voertuig vervoerd te worden.