Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"to do" Practice Lesson
"to do" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
to do
(long form)
te doen
There was a lot to do.
Er was veel te doen.
Yanni has some work to do.
Yanni heeft wat werk te doen.
Yanni knew what he had to do.
Yanni wist wat hij moest doen.
She didn’t know what she could do here.
Ze wist niet wat ze hier zou kunnen doen.
I know what they’re going to do.
Ik weet wat ze gaan doen.
Tom thought it was going to hurt.
Tom dacht dat het pijn zou doen.
Tom would never let me do that.
Tom zou me dat nooit laten doen.
Tom will never let me do that.
Tom zal me dat nooit laten doen.
to make an effort
een inspanningen doen
Please tell me what to do.
Vertel me alsjeblieft wat ik moet doen.
I will do my best.
Ik zal mijn best doen.
We only have one thing left to do.
We moeten maar één ding meer doen.
It was the only thing I could do.
Het was het enige ding dat ik kon doen.
I would rather do management now.
Ik zou nu liever management doen.
Here’s a list of things that Tom needs to do.
Hier is een lijst met dingen die Tom moet doen.
I would be grateful if you could do that for me.
Ik zou dankbaar zijn als je dat voor me zou willen doen.
to do the laundry
de was doen
There’s no need to pretend anymore.
Je hoeft niet meer alsof te doen.
Don’t forget to turn the light off.
Vergeet niet het licht uit te doen.
Pagination
Current page
1
Page
2
Next page
Next ›
Last page
Last »