Understand spoken Dutch

"have (1st person singular)" Practice Dutch lesson

Recording English Dutch Status
I didn’t foresee this turn of events. Deze wending heb ik niet voorzien.
I saved money so that I can travel. Ik heb gespaard zodat ik kan reizen.
I bought Tom a hot dog. Ik heb een hot dog voor Tom gekocht.
Forgive me, for I have sinned. Vergeef me, want ik heb gezondigd.
I ordered two burgers. Ik heb twee hamburgers besteld.
I’ve never played football before. Ik heb nooit eerder gevoetbald.
I am having an allergic reaction. Ik heb een allergische reactie.
I have read something interesting. Ik heb iets interssants gelezen.
I heard that Tom is living in Boston. Ik heb gehoord dat Tom in Boston woont.
I tried to tell you. Ik heb geprobeerd het je te zeggen.
I have inherited a significant fortune. Ik heb een aanzienlijk vermogen geërfd.
I learned something today, thanks to you. Ik heb iets geleerd vandaag, dankzij jou.
I warned you in advance. Ik heb je van tevoren gewaarschuwd.
I have an urgent matter to discuss with you. Ik heb een urgente zaak met je te bespreken.
I paid for my purchases in cash. Voor mijn aankopen heb ik contant betaald.
I studied for three months in Australia. Ik heb drie maanden in Australië gestudeerd.
I have a natural ability in mathematics. Ik heb een natuurlijke aanleg voor wiskunde.
though I do not immediately have a ready alternative al heb ik ook niet meteen een pasklaar alternatief
Yesterday I attended the meeting. Gisteren heb ik deelgenomen aan de bijeenkomst.
I wore out two pairs of jogging shoes last year. Ik heb vorig jaar twee paar hardloopschoenen versleten.