Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"she" Practice Lesson
"she" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
she is
zij is
she was
zij was
How is she?
Hoe is zij?
She could see into the room.
Zij kon in de kamer zien.
but she didn’t think about that
maar daaraan dacht zij niet
Yes, that is what she was thinking about.
Ja, daaraan dacht zij.
And yet she said she was a true princess.
En toch zei zij, dat ze een echte prinses was.
“What a terribly big duckling that is,” she thought; “None of the others looks like this.”
“Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje,” dacht zij; “geen van de anderen ziet er zo uit.”
She loves animals.
Zij houdt van dieren.
Does she speak English?
Spreekt zij Engels?
She has short hair.
Zij heeft kort haar.
she now saw them like stars in the sky
zij zag ze nu als sterren aan den hemel
And she lit all the matches in the box, for she wished to keep her grandmother with her.
En zij streek al de lucifers uit het doosje af, want zij wilde haar grootmoeder zo graag bij zich houden.
She made breakfast.
Zij maakte ontbijt.
“Can you lay eggs?” she asked.
«Kun je eieren leggen?» vroeg zij.
She lit another match.
Zij stak nog een lucifertje aan.
She wears glasses.
Zij draagt een bril.
Splash! there she jumped into the water.
Plof! daar sprong zij in het water.
“She tried to warm herself,” said some.
«Zij heeft zich willen warmen!» zei men.
“Use your legs!” she continued.
“Gebruik je poten nu!” vervolgde zij.
Pagination
Current page
1
Page
2
Page
3
Page
4
Next page
Next ›
Last page
Last »