Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"from" Practice Lesson
"from" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
Those children are also Tom’s.
Deze kinderen zijn ook van Tom.
Yanni came home from work.
Yanni kwam thuis van zijn werk.
from three o’clock to five o’clock
van drie uur tot vijf uur
from two o’clock to eight o’clock
van twee uur tot acht uur
I’m dropping out of school.
Ik ga van school af.
Whose bike is this?
Van wie is deze fiets?
I don’t want to speak for myself.
Van mij zelf wil ik niet spreken.
She learned it from her parents.
Ze heeft het geleerd van haar ouders.
I love you more than anyone else.
Ik hou meer van je dan van wie ook.
that village from back then, it’s gone
dat dorp van toen, het is voorbij
Do you have news from your brother?
Heb je nieuws van je broer?
I wasn’t born yesterday.
Ik ben heus niet van gisteren.
Both of them are from Australia.
Ze zijn allebei van Australië.
Where do we know each other from?
Waar kennen we elkaar van?
I got a letter from Tom yesterday.
Ik heb gisteren een brief van Tom ontvangen.
a leaf of a tree
een blad van een boom
We are not made of sugar.
We zijn niet van suiker gemaakt.
My mom came back from the store.
Mijn moeder kwam terug van de winkel.
Her little hands were almost completely frozen from cold.
Haar handjes waren bijna geheel van de kou verstijfd.
No one had bought any from her the whole day, nor had anyone given her even a penny.
Niemand had er de hele dag een van haar gekocht, niemand had haar zelfs een aalmoes gegeven.
Pagination
Current page
1
Page
2
Page
3
Page
4
Next page
Next ›
Last page
Last »