Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
Parts of speech Dutch Courses
Verbs (past participle) Courses
Verbs (past participle) 4 Course
Verbs (past participle) 4 Examples Lesson
Verbs (past participle) 4 Examples Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Recording
English
Dutch
Status
He was cheating.
Hij bedroog.
approved
(past participle)
goedgekeurd
Tom deceived Mary.
Tom bedroog Maria.
The war ended.
De oorlog eindigde.
The duck looked at it.
De eend bekeek het eens.
I lived in Boston three years ago.
Ik woonde drie jaar geleden in Boston.
I lived in Australia until last year.
Ik woonde tot vorig jaar in Australiƫ.
Here an old woman lived with her cat and her chicken.
Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip.
It rushed into the water, plunged in and swam towards the beautiful swans
En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige zwanen toe
And that is what they did; but the other ducks around looked at them and said to each other:
En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en zeiden tegen elkaar: