Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"not" Practice Lesson
"not" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
Tom isn’t there.
Tom is er niet.
She’s not there.
Ze is er niet.
not yet
nog niet
His house is not here.
Zijn huis is hier niet.
She is not in the room.
Ze is niet in de kamer.
I don’t want it.
Ik wil het niet.
I disagree.
Ik ben het niet eens.
I can’t agree with you.
Ik kan het niet met je eens zijn.
I don’t know.
Ik weet het niet.
Yanni doesn’t know.
Yanni weet het niet.
You know it’s not right.
Je weet dat het niet goed is.
She didn’t go.
Ze ging niet.
They are not so good at their job.
Ze zijn niet zo goed in hun werk.
I don’t think so.
Ik denk het niet.
She has a car, but I don’t.
Zij heeft een auto, maar ik niet.
They were not home.
Ze waren niet thuis.
but she didn’t think about that
maar daaraan dacht zij niet
I can’t come with you.
Ik kan niet met je mee.
I don’t like that man.
Ik mag die man niet.
Why don’t you come?
Waarom kom je niet?
Pagination
Current page
1
Page
2
Page
3
Page
4
Page
5
Page
6
Page
7
Page
8
Page
9
…
Next page
Next ›
Last page
Last »