Understand spoken Dutch

Verbs (Present tense, 2nd person singular) Examples Dutch lesson

Recording English Dutch Status
What should I do if my wife snores? Wat moet ik doen als mijn vrouw snurkt?
Is that supposed to be a question? Moet dat een vraag voorstellen?
She always tries to help others. Zij tracht altijd de anderen te helpen.
What are you interested in? Waar bent u in geïnteresseerd?
The guardian looks after the interests of the child. De voogd zorgt voor de belangen van het kind.
Try to be patient with others. Tracht geduld op te brengen met anderen.
Life is short, you have to enjoy it! Het leven is kort, je moet er van genieten.
Why did you decide to buy this house? Waarom heb je besloten dit huis te kopen?
She can’t resist complaining. Ze kan het niet laten om te vitten.
when you need to speak French wanneer er Frans gesproken moet worden
Can you recommend a good play? Kunt u een goed toneelstuk aanbevelen?
Did you manage to get a hold of Tom? Heb je Tom te pakken kunnen krijgen?
Why didn’t you phone before coming? Waarom heb je niet gebeld vooraleer te komen?
John works in the furniture factory. Jan werkt in de meubelfabriek.
Who works in the furniture factory? Wie werkt in de meubelfabriek?
Don’t worry, I’ll translate that for you. Maak je geen zorgen, ik zal dat voor je vertalen.
Tom can make me feel better after a bad day. Tom kan me beter doen voelen na een slechte dag.
Are you allergic to this medicine? Bent u allergisch voor dit geneesmiddel?
I know that I have to improve my Dutch. Ik weet dat ik mijn Nederlands moet verbeteren.
Believe me, it is a turkey egg! Geloof mij, het is een kalkoenenei!