Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"to" Practice Lesson
"to" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
to
aan
to that
daaraan
to do something about it
om er iets aan te doen
I’m used to this sort of thing.
Ik ben aan zoiets gewend.
Tom asked Mary whether she liked him.
Tom vroeg aan Mary of zij hem leuk vond.
Oh, look, there comes the bus!
O, kijk, daar komt de bus al aan!
I am accustomed to cold weather.
Ik ben gewend aan een koud klimaat.
When will this bus arrive in Brussels?
Wanneer komt deze bus aan in Brussel?
When will this train arrive in Brussels?
Wanneer komt deze trein aan in Brussel?
indicates
geeft aan
Who did you give the book to?
Aan wie heb je het boek gegeven?
Who did Tom sell his farm to?
Aan wie heeft Tom zijn boerderij verkocht?
to need
behoefte hebben aan
He gave the dog a bone.
Hij gaf een bot aan de hond.
insists
dringt aan
Have you got used to eating Japanese food yet?
Ben je al gewend aan Japans eten?
Don’t say anything to the international press.
Zeg niets aan de buitenlandse pers.
I’m used to the noise.
Ik ben gewend aan het lawaai.
I leave the matter to your judgement.
Ik laat de zaak aan uw oordeel over.
Soldiers are used to danger.
Soldaten zijn aan gevaar gewend.
Pagination
Current page
1
Page
2
Page
3
Page
4
Next page
Next ›
Last page
Last »