Skip to main content
Lingopolo
Understand spoken Dutch
Lingopolo
Understand spoken Dutch

Main navigation

Show — Main navigation Hide — Main navigation
  • Home
  • Online Lessons
  • Dictionary
  • FAQ
  • Donate
  • Blog
  • Testimonials
  • Contact

Breadcrumb

  1. Home
  2. Online Lessons
  3. "to be" Practice Lesson

"to be" Practice Dutch lesson

Primary tabs

  • Summary
  • Quiz
  • Content

Secondary tabs

  • All
  • Words
  • Phrases
Learn
Recording English Dutch Status
to be zijn
to be (long form) te zijn
What’ll it be like? Hoe zal het zijn?
to be good at goed zijn in
to be good for goed zijn voor
I want to be here. Ik wil hier zijn.
to agree het eens zijn
I can’t agree with you. Ik kan het niet met je eens zijn.
We are at school. Wij zijn op school.
to be well off goed af zijn
I want to be a cat. Ik wil een kat zijn.
Tom will be too late. Tom zal te laat zijn.
I don’t know if this will be enough. Ik weet niet of dit genoeg zal zijn.
She must be somewhere. Ze moet ergens zijn.
to be scared of bang zijn voor
to be happy with blij zijn met
We’ve almost finished. We zijn bijna klaar.
She does not want to be dependent on her parents. Ze wil niet afhankelijk zijn van haar ouders.
You shouldn’t depend on others too much. U moet niet te veel van anderen afhankelijk zijn.
Yanni wants to be the best. Yanni wil de beste zijn.

Pagination

  • Current page 1
  • Page 2
  • Page 3
  • Page 4
  • Page 5
  • Next page Next ›
  • Last page Last »

Footer menu

Show — Footer menu Hide — Footer menu
  • Copyright information
  • Contact Information
  • Privacy Policy